content:
datum 25 aug 2020 geplaatst door Redactie

Wisselwerking tussen fondsen en lagere overheden kan beter

 

In december 2018 analyseerde ik voor Kunsten92 de culturele regioprofielen die in de maanden daarvoor waren opgesteld. Ik vatte mijn bevindingen samen en formuleerde als algemene conclusie dat het in bijna alle profielen draaide om productieklimaat en makersklimaat. Als iets duidelijk werd uit de profielen, dan was het wel dat het de regio’s zelfstandige aantrekkingskracht willen hebben: ze willen niet alleen maar cultuur importeren maar ook zelf produceren. Mijn advies was dat de Raad voor Cultuur en het ministerie vooral die kerngedachte moesten oppakken. Dat wil zeggen: de focus richten op het – mede met Rijksgeld - aanjagen en versterken van (a) experimenten om nieuw publiek te bereiken en (b) het makersklimaat in de stedelijke regio’s.

Nu het advies van de Raad voor Cultuur over de basisinfrastructuur (periode 2021-2024) bekend is en ook de verdeling van de meerjarige subsidie door het Fonds voor de Podiumkunsten, is het duidelijk dat van een versterking van het productieklimaat buiten de Randstad weinig terecht zal komen. Van het geld voor de basisinfrastructuur komt maar 40% buitend de Randstadprovincies terecht. En van de subsidies van het Fonds voor de Podiumkunsten slaat slechts 19% neer buiten de vier grote steden.

De redenen voor de scheve verdeling
De culturele regioprofielen lijken de prullenbak in te kunnen, tenzij de Tweede Kamer nog corrigerend optreedt. Ik hoop van harte dat dat gebeurt, want buiten de grotere steden is het voorzieningenaanbod in de afgelopen jaren verschraald door krimp, economische stagnatie en bezuinigingen en daar komt de coronacrisis nu overheen. Zonder samenwerking tussen rijk en regio’s zal er van een versterking van het makersklimaat weinig terecht komen en worden voornemens om nieuw publiek te bereiken een loze kreet. 

Belangrijk om te onderkennen is dat de aanleiding voor de profielen juist lag in de situatie op het terrein van de podiumkunsten. Dáár deden zich volgens de Raad voor Cultuur (Verkenning ‘Cultuur voor stad, land en regio’, 2017)de knelpunten voor. Des te curieuzer is het dat juist voor de podiumkunsten de verdeling zo scheef is uitgepakt. Ik zie daarvoor drie oorzaken. De eerste is natuurlijk dat het Fonds voor de Podiumkunsten zijn werk moest doen met minder geld (€ 15,8 mln.). Omdat de spoeling dunner was, vielen de aanvragen die minder goed scoorden (kennelijk relatief veel initiatieven van buiten de Randstad) eerder af.

Een tweede reden is dat het fonds kennelijk in hoge mate autonoom van de minister kan opereren. Een vreemde, maar onvermijdelijke constatering gezien de grote discrepantie tussen de uitgangspuntennota van de minister en de uiteindelijk uitkomst. In de Uitgangspuntennota vraagt de minister expliciet om “samen te werken met de stedelijke regio’s, initiatieven te bundelen en flexibel in te spelen op het culturele veld.” Van die samenwerking is helaas weinig gebleken.

Dat brengt mij op het derde punt: de wisselwerking tussen provincies en gemeenten enerzijds en de fondsen anderzijds. Deze wisselwerking is traditioneel matig en blijkt ook door de exercitie met de culturele regioprofielen niet verbeterd. Dit is een weeffout in het systeem: het culturele stelsel is hybride, met uiteenlopende financieringsarrangementen voor de diverse kunstsectoren en verschillende rollen voor de overheden. Echter, de fondsen staan hier buiten en doen traditiegetrouw vooral hun eigen ding.

 

Voorstellen voor verbetering
In twee opzichten kan de samenwerking tussen fondsen en lagere overheden worden verbeterd. 

Een eerste manier om de wisselwerking te verbeteren kan zijn dat de minister, die op grond van artikel 10 lid 2 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid is gemachtigd om de bestuursleden van een fonds te benoemen, ervoor zorgt dat er enkele leden (bijvoorbeeld twee per bestuur) uit de kring van de provincies en de gemeenten in de besturen worden gezet.  Op die manier krijgen de lagere overheden indirect invloed op het beleid van de fondsen en – belangrijker nog – wordt een vorm van toezicht vanuit de lagere overheden gewaarborgd. Hiermee wordt een prima safety pin ingebouwd om autonoom optreden van zowel de fondsen als de rijksoverheid (als financier en toezichthouder) te voorkomen.

Een tweede manier om de wisselwerking tussen de fondsen en de lagere overheden te bevorderen betreft de manier waarop wordt omgegaan met subsidieaanvragen. Naar mijn mening zouden zowel de lagere overheden als de fondsen er bij gebaat zijn als de fondsen een ontvankelijkheidstoets zouden toevoegen aan de instapeisen, inhoudende dat een aanvraag alleen in behandeling wordt genomen als de betreffende instelling eerder een activiteitensubsidie van enige substantie heeft ontvangen van de lokale of provinciale overheid.  

Eerstelijns verantwoordelijkheid voor de lagere overheden
Met een ontvankelijkheidstoets kunnen veel doelen tegelijk worden bereikt:

  • Instellingen worden gestimuleerd eerst bij de meest nabije overheid aan te kloppen alvorens het hogerop te zoeken; zij moeten zich daartoe inspannen om zich lokaal en regionaal ‘in de kijker te spelen’ en zich zowel artistiek als bedrijfsmatig en qua publieksbenadering te bewijzen;

  • De lagere overheden krijgen een duidelijke ‘eerstelijns’ verantwoordelijkheid, waar zij nu vaak “langs de zijlijn blijven staan” waar het bijvoorbeeld gaat om meerjarige activiteitensubsidies.

  • Er is dan de zekerheid dat behalve de artistieke kwaliteit ook andere factoren in de beoordeling zijn meegenomen; provincies en zeker gemeenten zijn doorgaans niet monomaan gericht op het artistieke niveau, maar kijken ook naar de inbedding van een initiatief in de stedelijke en regionale context, naar de inspanningen op het gebied van publieksbereik, naar de relatie met andere plaatselijke initiatieven, naar de kwaliteit van de bedrijfsvoering, naar de educatieve activiteiten en dergelijke. Allemaal factoren die voor het culturele klimaat en de culturele infrastructuur van een stad of regio van groot belang zijn, maar door een landelijk fonds minder worden meegewogen.

Behalve deze voordelen mag van een ontvankelijkheidstoets nóg een belangrijk positief effect worden verwacht. De druk op lagere overheden om initiatieven te subsidiëren opdat dan ook een landelijk fonds mogelijk zijn steun zal geven, zal groot worden. Van onderop zal zodoende als het ware een vraag om matchingsgeld tot stand komen die een goede voedingsbodem vormt voor het coproduceren van beleid (fonds en lagere overheden) en het treffen van arrangementen om gewenste ontwikkelingsrichtingen te stimuleren. In feite kan hiermee worden bereikt dat de meest succesvolle vorm cultuursubsidiëring, de matchingsconstructie, een nog grotere rol gaat spelen in de sector.

Door: Cor Wijn